ECLI:NL:RVS:2013:2223
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat afwijzing machtiging voorlopig verblijf terecht is
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 14 februari 2012 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte bepaalde omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb Pro aanmerkte en dat het besluit van de minister voldoende gemotiveerd was, met name met betrekking tot de belangenafweging van de kinderen volgens artikel 8 EVRM Pro. De Raad van State stelde vast dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen.
Gelet hierop verklaarde de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.