ECLI:NL:RVS:2013:2219
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen vernietiging inreisverbod vreemdeling
Bij besluit van 6 september 2012 wees de minister een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod van twee jaar op. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod gegrond en vernietigde dit, terwijl het beroep voor het overige ongegrond werd verklaard.
Zowel de minister als de vreemdeling stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond was. De staatssecretaris stelde terecht dat de voorzieningenrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod voor twee jaar was opgelegd.
De staatssecretaris had de vreemdeling in de bestuurlijke fase expliciet de gelegenheid gegeven om individuele omstandigheden aan te voeren om het inreisverbod te verkorten, maar deze waren niet binnen de gestelde termijn aangevoerd. Ook na die termijn aangevoerde omstandigheden behoorden volgens de staatssecretaris in een andere procedure te worden beoordeeld.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin het inreisverbod werd vernietigd en verklaarde het beroep van de vreemdeling in zoverre ongegrond, terwijl de rest van de uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het inreisverbod van twee jaar wordt gehandhaafd en het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.