ECLI:NL:RVS:2013:2216
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid hoger beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 17 juni 2011 werd afgewezen. Na een tussenuitspraak en aanvullend besluit werd het beroep van de vreemdeling door de rechtbank gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Zowel de vreemdeling als de minister stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de door de vreemdeling overgelegde lijsten met namen van personen waarmee hij had samengewerkt niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden konden worden aangemerkt, omdat niet kon worden vastgesteld wanneer de vergunningen aan die personen waren verleend en waarom deze informatie niet eerder was ingebracht. Hierdoor was toetsing van het besluit door de rechtbank niet gerechtvaardigd.
De Raad vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit van 17 juni 2011, aangevuld bij besluit van 14 juni 2012, in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.