ECLI:NL:RVS:2013:2209
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 10 juli 2012 werd afgewezen. Tevens werd een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. De voorzieningenrechter vernietigde het inreisverbod, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in.
De staatssecretaris vaardigde op 18 december 2012 opnieuw een inreisverbod uit, nadat de vreemdeling was gewezen op de mogelijkheid om individuele omstandigheden aan te voeren. Het beroep tegen dit besluit werd door de rechtbank aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorgelegd.
De Afdeling overwoog dat het inreisverbod rechtmatig was genomen, omdat er geen objectief verifieerbare bescheiden waren die een feitelijke omgang tussen het minderjarige kind van de vreemdeling en zijn vader in Nederland aantonen. De motivering van het inreisverbod was daarmee voldoende en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van 18 december 2012 wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.