ECLI:NL:RVS:2013:2200

Raad van State

Datum uitspraak
18 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
201309350/1/V2 en 201309350/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en voorlopige voorziening wegens gezondheid

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 8 februari 2013 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 10 september 2013. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen vanwege zijn gezondheidstoestand.

Gezien het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat nog moest worden ingewonnen, kon niet worden uitgesloten dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling een beletsel zou vormen voor uitzetting. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vreemdeling in Nederland mag blijven totdat het BMA-advies is ontvangen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €472,00.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, maar de vreemdeling mag voorlopig in Nederland blijven vanwege zijn gezondheidstoestand.

Uitspraak

201309350/1/V2 en 201309350/3/V2.
Datum uitspraak: 18 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 10 september 2013 in zaak nr. 13/5710 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het verzoek van de vreemdeling doorgezonden aan de Afdeling.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. De vreemdeling heeft de voorzitter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand niet wordt uitgezet en dat de huidige opvang en verstrekkingen op dezelfde wijze worden voortgezet.
4. Blijkens de door de vreemdeling overgelegde stukken heeft de staatssecretaris in het kader van het onderzoek naar de gezondheidstoestand van de vreemdeling het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: het BMA) gevraagd daarover advies uit te brengen. Nu gelet hierop niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de gezondheidstoestand van de vreemdeling een beletsel zal vormen voor diens uitzetting, komt het verzoek in zoverre voor inwilliging in aanmerking. Hieruit volgt dat de aangekondigde beëindiging van opvang en verstrekkingen op 19 november 2013 niet kan plaatsvinden.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling het standpunt van de staatssecretaris over het aangevraagde BMA-advies in Nederland mag afwachten;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Yildiz
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2013
594.