ECLI:NL:RVS:2013:2124
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 23 augustus 2011 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 28 december 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris terecht had vastgesteld dat de vreemdeling onvoldoende onderbouwing had geleverd voor het vereiste van een wezenlijk Nederlands economisch belang. De gevraagde aanvullende stukken, waaronder een onderbouwde marktanalyse en financieel plan, ontbraken, terwijl de vreemdeling daarvoor in de gelegenheid was gesteld. De Raad oordeelde dat deze documentatievereisten niet in strijd zijn met de standstill-bepaling van het associatieverdrag met Turkije.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, omdat de staatssecretaris de aanvraag terecht had afgewezen wegens het ontbreken van voldoende bewijs van levensvatbaarheid van de onderneming en het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf was in dit kader niet onrechtmatig tegengeworpen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.