ECLI:NL:RVS:2013:2123
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor afgifte van een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zou aantonen. Deze aanvraag werd op 15 september 2011 door de minister voor Immigratie en Asiel afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 1 mei 2012 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die op 7 december 2012 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij de beoordeling van het hoger beroep stelde de Raad vast dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat de daarin opgenomen grieven niet waren toegespitst op onderdelen van de uitspraak van de rechtbank. Hierdoor ontbraken de noodzakelijke gronden om het hoger beroep in behandeling te nemen.
De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van H.G. Lubberdink, op 19 november 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van geldige grieven.