ECLI:NL:RVS:2013:2110
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten ongewenstverklaring vreemdeling wegens onvoldoende motivering
De minister voor Immigratie en Asiel had op 22 december 2010 een vreemdeling ongewenst verklaard. Na een verzoek tot opheffing en een daaropvolgende beslissing op 9 maart 2012 waarbij de bezwaren van de vreemdeling gegrond werden verklaard en de ongewenstverklaring werd opgeheven, verklaarde de rechtbank de beroepen van de vreemdeling niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling van de beroepen, omdat het niet-beoordelen van de beroepen ertoe leidt dat de ongewenstverklaring in stand blijft en niet langer in rechte kan worden aangevochten. Hierdoor heeft de vreemdeling wel degelijk procesbelang bij de beroepen.
Verder stelde de vreemdeling dat de besluiten van 9 maart 2012 onvoldoende waren gemotiveerd, omdat de staatssecretaris niet was ingegaan op het betoog dat de ongewenstverklaring van meet af aan onrechtmatig was. De Afdeling stelde vast dat de motivering van de besluiten niet deugdelijke was en vernietigde deze besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Tot slot werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank werd eveneens vernietigd en de beroepen van de vreemdeling bij de rechtbank werden gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van 9 maart 2012 worden vernietigd wegens onvoldoende motivering.