ECLI:NL:RVS:2013:2083

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2013
Publicatiedatum
20 november 2013
Zaaknummer
201307933/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet geluidhinder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen wijziging gezoneerd industrieterrein in bestemmingsplan Veersedijk

Bij besluit van 8 juli 2013 stelde de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht het bestemmingsplan "Veersedijk" vast, waarbij de zonering als industrieterrein voor bepaalde percelen werd verwijderd. Verzoekster, gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht, stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat haar bedrijfsvoering stil zou komen te liggen door de gewijzigde geluidsnormen.

De voorzitter behandelde het verzoek op 22 oktober 2013 en oordeelde dat het eerdere bestemmingsplan uit 1961 was vervallen en dat het nieuwe plan de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein "Aan de Noord" wijzigde zonder belangenafweging over de gevolgen voor verzoekster. De raad stelde dat de woningen aan de [locatie B] sinds 1999 geen deel meer uitmaakten van het gezoneerde industrieterrein, maar de voorzitter betwijfelde dit.

De voorzitter besloot dat de percelen aan de [locatie A] en [locatie B] voorlopig deel uitmaken van het gezoneerde industrieterrein totdat in de bodemzaak uitspraak is gedaan. Tevens werd de raad veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster. Deze voorlopige voorziening voorkomt onomkeerbare gevolgen voor verzoekster en verandert niets voor de bewoners van de woningen aan de [locatie B].

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de percelen blijven voorlopig deel uitmaken van het gezoneerde industrieterrein totdat de bodemzaak is beslist.

Uitspraak

201307933/2/R4.
Datum uitspraak: 12 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,
verzoekster,
en
de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Veersedijk" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], beiden werkzaam bij [verzoekster], bijgestaan door mr. drs. J. Wildschut, werkzaam bij Adromi B.V., en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, mr. A. Hoogesteeger en ing. D.W. Kraaij, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het plan voorziet in een actuele jurdisch-planologische regeling voor de gronden aan de Veersedijk in het noorden van de gemeente.
3. Het verzoek van [verzoekster] is gericht tegen het verwijderen van de zonering als industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder voor het bedrijfsperceel aan de [locatie A] en de woningen aan de [locatie B]. [verzoekster] betoogt dat het verwijderen van de zonering als industrieterrein voor haar perceel en de woningen aan de [locatie B] tot gevolg heeft dat de woningen geluidgevoelige objecten worden als bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit heeft volgens [verzoekster] tot gevolg dat de etmaalwaarde onder het nieuwe bestemmingsplan 50 dB(A) mag bedragen, terwijl de etmaalwaarde thans 63 dB(A) bedraagt. Van der Waal stelt dat hierdoor de bedrijfsvoering stil moet worden gelegd bij inwerkingtreding van het onderhavige plan. Met het verzoek beoogt [verzoekster] dit gevolg van het plan te voorkomen.
4. De raad stelt zich op het standpunt dat de woningen aan de [locatie B] sinds 1999 geen deel meer uitmaken van het gezoneerde industrieterrein. De raad voert daartoe aan dat in het bestemmingsplan "Volgerlanden-Betuweroute" uit dat jaar de woningen een woonbestemming hebben gekregen. Nu volgens de raad planologisch gezien geen burgerwoningen zijn toegestaan op een gezoneerd industrieterrein, volgt daaruit dat de woningen sindsdien geen deel meer uitmaken van het gezoneerde industrieterrein "Aan de Noord". Het onderhavige plan brengt daar geen verandering in, aldus de raad.
5. Anders dan de raad heeft gesteld, betwijfelt de voorzitter of de woningen aan de [locatie B] sinds 1999 geen deel meer uitmaken van het gezoneerde industrieterrein. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is het enkele toekennen van een woonbestemming aan de percelen [locatie B] daarvoor onvoldoende. Dit betekent dat de voorzitter op voorhand van oordeel is dat eerst in het onderhavige plan de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein "Aan de Noord" is gewijzigd. Daarbij heeft de raad geen belangenafweging gemaakt over de gevolgen die de wijziging van het gezoneerde industrieterrein heeft voor [verzoekster], terwijl aannemelijk is dat wijziging van het gezoneerde industrieterrein grote gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering.
6. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht is het vorige bestemmingsplan voor het perceel van [verzoekster], het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak" uit 1961, met ingang van 1 juli 2013 vervallen. Schorsing van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie A] zou tot gevolg hebben dat voor dit perceel geen planologisch regime meer geldt. Gelet hierop acht de voorzitter schorsing van de betreffende plandelen niet aangewezen. Dit neemt niet weg dat de voorzitter een voorlopige voorziening kan treffen om te voorkomen dat zich onomkeerbare gevolgen voordoen voordat uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Onder de genoemde omstandigheden ziet de voorzitter aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de percelen [locatie A] en [locatie B] deel uitmaken van het gezoneerde industrieterrein "Aan de Noord" totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Daarbij overweegt de voorzitter dat deze voorlopige voorziening voor de bewoners van de woningen aan de [locatie B] geen wijziging met zich brengt ten opzichte van de bestaande, feitelijke situatie.
7. De raad dient ten aanzien van [verzoekster] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de percelen [locatie A] en [locatie B] deel uitmaken van het gezoneerde industrieterrein "Aan de Noord" totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak;
II. veroordeelt de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 985,58 (zegge: negenhonderdvijfentachtig euro en achtenvijftig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Gerkema
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013
472-767.