ECLI:NL:RVS:2013:2072
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over inbewaringstelling vreemdeling wegens onvoldoende motivering onttrekkingsgevaar
De staatssecretaris verklaarde de vreemdeling ongewenst en stelde hem in vreemdelingenbewaring. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten en vroeg om voorlopige voorzieningen en schadevergoeding. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter. Ten aanzien van het hoger beroep tegen de uitspraak over de inbewaringstelling oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op de beroepsgrond dat de gronden voor de inbewaringstelling onvoldoende waren om onttrekkingsgevaar aan te nemen. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris de vreemdeling binnen één dag na uitreiking van het besluit tot ongewenstverklaring in bewaring had gesteld, zodat hem niet redelijkerwijs kon worden tegengeworpen dat hij zijn vertrek niet had geregeld.
Daarnaast was de motivering van het onttrekkingsgevaar onvoldoende toegespitst op de persoon van de vreemdeling. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende een vergoeding toe over de periode van de inbewaringstelling. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de uitspraak over de inbewaringstelling wordt gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd en een schadevergoeding toegekend.