ECLI:NL:RVS:2013:2047
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en toepassing Dublinverordening versus Terugkeerrichtlijn
De vreemdeling werd op 1 september 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), dat is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn, van toepassing was, of dat de Dublinverordening voorrang heeft omdat de vreemdeling in Italië een asielaanvraag heeft ingediend en zijn vingerafdrukken in Eurodac zijn aangetroffen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Dublinverordening inderdaad van toepassing is bij een concreet aanknopingspunt dat de vreemdeling aan een andere lidstaat kan worden overgedragen. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling had moeten opdragen zich onmiddellijk naar Italië te begeven en dat bewaring niet was toegestaan. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De Afdeling overwoog tevens dat er voldoende grond was om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken, waardoor bewaring proportioneel was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.