ECLI:NL:RVS:2013:1903

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2013
Publicatiedatum
13 november 2013
Zaaknummer
201205323/2/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering openbaarmaking strafrechtelijk onderzoek visfraude

Bij besluit van 9 november 2010 wees de staatssecretaris het verzoek van appellante om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij het aan land brengen van vis af. Na bezwaar werd dit besluit deels herroepen, maar grotendeels gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 14 maart 2011 in strijd was met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het. De staatssecretaris vulde de motivering van het besluit nader aan, waardoor het gebrek werd opgeheven. De overige beroepsgronden faalden.

De Afdeling bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het eerdere vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; proceskosten en griffierecht worden aan appellante vergoed.

Uitspraak

201205323/2/A3.
Datum uitspraak: 13 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Apeldoorn,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2012 in zaak nr. 11/403 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2010 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis afgewezen.
Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen ten aanzien van bepaalde nader vermelde documenten en voor het overige gehandhaafd, zij het met verbetering van de gronden waarop het rust.
Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 juli 2012 heeft [appellante] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mrs. C.G. Zandee en W.G. van Duijn, beiden werkzaam in dienst van het Ministerie, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 12 juni 2013 heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen vier weken, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een gebrek in het besluit van 14 maart 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
De staatssecretaris heeft ter uitvoering van die tussenuitspraak op 4 juli 2013 een nieuw besluit genomen.
Bij brief van 25 juli 2013 heeft [appellante] daarover een zienswijze ingediend.
Bij tussenuitspraak van 4 september 2013 heeft de Afdeling de staatssecretaris opnieuw opgedragen om binnen vier weken, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 14 maart 2011 te herstellen. Ook deze tussenuitspraak is aangehecht.
De staatssecretaris heeft het besluit van 4 juli 2013 ter uitvoering van die tussenuitspraak bij brief van 25 september 2013 ingetrokken en de motivering van dat van 14 maart 2011 nader aangevuld.
De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek van de zaak ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Gelet op hetgeen onder 8.1 van de tussenuitspraak van 12 juni 2013 is overwogen, is het hoger beroep van [appellante] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 14 maart 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren. Dat besluit wordt wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vernietigd.
2. Er is evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe wordt overwogen dat het college bij de brief van 25 september 2013 de motivering van het besluit van 14 maart 2011 nader heeft aangevuld door per onleesbaar gemaakte passage van de desbetreffende documenten te vermelden, welke gronden in dat besluit aan de weigering ten grondslag zijn gelegd. Daarmee is het gebrek in de motivering van het besluit van 14 maart 2011 opgeheven. Voorts valt uit hetgeen onder 4 tot en met 7 in de tussenuitspraak van 12 juni 2013 is overwogen af te leiden dat de overige beroepsgronden die [appellante] tegen de uitspraak van 25 april 2012 heeft aangevoerd niet slagen.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2012 in zaak nr. 11/403;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 maart 2011, kenmerk DGB/2010/8412;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Financiën tot vergoeding aan [appellante] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2124,00 (zegge: tweeduizend honderdvierentwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de staatssecretaris van Financiën aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Binnema
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013
589.