ECLI:NL:RVS:2013:1844
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.V.T.K. Oei
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing naturalisatieverzoek wegens openstaande strafzaak
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van haar verzoek om het Nederlanderschap, gebaseerd op het bestaan van een openstaande strafzaak die ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde zou rechtvaardigen. De minister had het verzoek op 9 mei 2012 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, maar het intrekkingsbesluit van 10 januari 2013 leidde ertoe dat zij werd voorgedragen voor naturalisatie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat de schade niet voortkwam uit het besluit zelf maar uit de strafzaak. De appellant stelde echter dat zij wel degelijk schade had geleden door de afwijzing, waaronder kosten voor verlenging van haar verblijfsvergunning en immateriële schade door onzekerheid.
De Afdeling oordeelde dat de appellant tot op zekere hoogte aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door het besluit van 10 augustus 2012 en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De Afdeling toetste het besluit inhoudelijk en oordeelde dat het besluit niet onrechtmatig was, omdat op het moment van het verzoek en de beslissing de strafzaak nog openstond. Het beroep tegen het afwijzingsbesluit werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk. Vergoeding van immateriële schade werd afgewezen omdat de procedure binnen een redelijke termijn was afgerond.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzingsbesluit wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.