ECLI:NL:RVS:2013:1825
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onjuiste grondslag in opvolgend asielbesluit
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die op 28 maart 2012 werd afgewezen, waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd en hij werd opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betrof, maar ongegrond voor het beroep tegen het inreisverbod.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het inreisverbod onterecht was uitgevaardigd omdat het was gebaseerd op het verstrijken van de vertrektermijn uit een eerder terugkeerbesluit van 20 augustus 2009, hetgeen volgens eerdere jurisprudentie niet is toegestaan bij een opvolgende asielaanvraag.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit voor zover het het inreisverbod betrof, maar liet de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit zelf in stand. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het inreisverbod in het besluit van 28 maart 2012 wordt vernietigd, de overige onderdelen blijven in stand.