ECLI:NL:RVS:2013:1814
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid afwijzing verblijfsvergunning regulier ondanks familieleven
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 11 augustus 2011 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het familieleven tussen de vreemdeling en zijn Nederlandse partner en kinderen erkend werd, maar dat het mvv-vereiste niet onredelijk was toegepast. De belangenafweging tussen het recht op gezinsleven en het Nederlandse toelatingsbeleid was zorgvuldig gemaakt, waarbij rekening werd gehouden met strafbare feiten van de vreemdeling en het feit dat de partner en haar dochter sterke bindingen in Nederland hebben.
De Afdeling stelde dat de staatssecretaris zich deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het aan de vreemdeling is om in overleg met de partner en de biologische vader van de dochter afspraken te maken over het voortzetten van het familieleven buiten Nederland. Het beroep van de vreemdeling op de hardheidsclausule faalde omdat geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.