ECLI:NL:RVS:2013:177
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van opheffing vreemdelingenbewaring na belangenafweging zonder strafrechtelijke antecedenten
De vreemdeling was aanvankelijk in vreemdelingenbewaring gesteld en deze maatregel was verlengd. Na een periode van strafrechtelijke detentie is de vreemdeling opnieuw in bewaring gesteld. De staatssecretaris voerde meerdere gronden aan, waaronder strafrechtelijke antecedenten, om de bewaring te handhaven.
De rechtbank had de bewaring opgeheven vanwege de duur van de detentie en de medische en psychische klachten van de vreemdeling, en oordeelde dat strafrechtelijke antecedenten niet meegewogen mogen worden op grond van het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Raad van State oordeelt dat strafrechtelijke antecedenten alleen kunnen worden betrokken bij de belangenafweging indien zij leiden tot een risico dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt of de uitzettingsprocedure belemmert. De strafrechtelijke antecedenten mogen niet als zelfstandige grond voor voortzetting van bewaring worden gebruikt. De verzwaarde belangenafweging moet rekening houden met de proportionaliteit en het gebruik van minder belastende maatregelen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het oordeel van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de opheffing van de vreemdelingenbewaring en wijst het hoger beroep van de staatssecretaris af.