ECLI:NL:RVS:2013:1698
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod
De minister heeft op 1 mei 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het besluit van 1 mei 2012 van gelijke strekking is als het eerdere besluit van 22 maart 2011. Volgens vaste jurisprudentie kan de bestuursrechter een dergelijk besluit alleen toetsen indien er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De vreemdeling heeft evenwel geen authenticiteit van de aangevoerde stukken aangetoond en de medische brief toont geen levensbedreigende situatie aan.
De Afdeling oordeelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte het besluit heeft getoetst en verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep ongegrond. Ook het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard omdat de vreemdeling onvoldoende individuele omstandigheden heeft toegelicht.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzitter Lubberdink en leden Borman en Verheij, in aanwezigheid van ambtenaar van staat Bossmann.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.