ECLI:NL:RVS:2013:1637
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voeren van de titel doctorandus op grond van buitenlandse opleiding
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wees het verzoek van appellante af om de titel doctorandus te mogen voeren op basis van haar in 1996 in Turkije behaalde diploma scheikunde. De minister stelde dat de opleiding wezenlijke verschillen vertoonde met de Nederlandse universitaire masteropleiding scheikunde, onder meer vanwege een lager aanvangsniveau, niet-relevante vakken en een kortere nominale studieduur.
Appellante stelde dat het advies van de Nuffic, waarop de minister zich baseerde, onjuist en onvolledig was en dat er geen wezenlijke verschillen waren. De Raad van State stelde vast dat de Nuffic als deskundige mag worden gevolgd en dat de minister terecht het lagere aanvangsniveau en de nominale studieduur van de Turkse opleiding vergeleek met de Nederlandse opleiding.
Verder werd geoordeeld dat het verschil in nominale studieduur van één jaar of meer en het aandeel niet-relevante vakken in het curriculum wezenlijke verschillen vormen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om de titel doctorandus te voeren bevestigd.