ECLI:NL:RVS:2013:1615
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt alsnog verblijfsvergunning na vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling diende op 18 juli 2012 een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd op 26 juli 2012 door de minister afgewezen omdat Bulgarije verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublin-verordening. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat overdracht aan Bulgarije strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro vanwege slechte detentieomstandigheden, gebrekkige opvang, risico op refoulement en onvoldoende rechtsmiddelen in Bulgarije. Hij stelde dat de staatssecretaris ten onrechte uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en onvoldoende onderzoek had gedaan naar de situatie in Bulgarije, mede gelet op het arrest M.S.S. van het EHRM.
De Raad van State oordeelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat het niet inging op de relevante rapporten die de vreemdeling aanvoerde. Hierdoor kon niet zonder meer worden aangenomen dat overdracht aan Bulgarije veilig was. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 juli 2012 vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand omdat de staatssecretaris het besluit kan heroverwegen en de vreemdeling zich daarover kan uitlaten.
De Raad van State concludeerde dat de Bulgaarse asielprocedure sinds 2010 verbeteringen kent en dat er geen concreet risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bestaat. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.