ECLI:NL:RVS:2013:1590
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees op 25 januari 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met opdracht tot heroverweging.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte de bewijslast had omgekeerd door te stellen dat niet was aangetoond dat de vreemdeling niet in negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten zou komen. De bewijslast rust op de vreemdeling, die onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in negatieve belangstelling staat.
De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De overige beroepsgronden die in eerste aanleg waren aangevoerd, werden niet meer behandeld omdat daarover al een oordeel was gegeven en in hoger beroep niet was opgekomen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 oktober 2013.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.