ECLI:NL:RVS:2013:159
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde op 4 november 2011 aan appellant een boete van €4.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant maakte bezwaar, dat door de minister en vervolgens door de rechtbank Utrecht ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat de ambtenaren niet bevoegd waren om inzage in het identiteitsbewijs te vorderen en dat de boete onterecht was vanwege bijzondere omstandigheden rondom het vrijwilligerswerk van de vreemdeling.
De Raad van State oordeelde dat de ambtenaren van de Vreemdelingenpolitie Utrecht bevoegd waren tot het vorderen van inlichtingen en inzage van het identiteitsbewijs op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht. Het proces-verbaal toonde aan dat de ambtenaren in het kader van hun toezichtstaak aanwezig waren en de vordering tot inzage noodzakelijk was voor hun onderzoek.
Verder werd geoordeeld dat de minister bij het opleggen van de boete de discretionaire bevoegdheid correct had uitgeoefend, rekening houdend met de ernst van de overtreding en verwijtbaarheid. De omstandigheden van het vrijwilligerswerk boden geen grond om af te zien van boeteoplegging of deze te matigen, mede omdat niet voldaan was aan de uitzonderingsregeling en appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om overtreding te voorkomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.