ECLI:NL:RVS:2013:1579
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Appellant verzocht om het Nederlanderschap, maar de minister wees dit verzoek af wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit. Appellant had geen geldig buitenlands paspoort of gelegaliseerde geboorteakte overgelegd. Hij stelde dat hij in bewijsnood verkeerde omdat hij als Armeense christen geen documenten van de Iraakse autoriteiten kon verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat de medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bevoegd was het besluit te nemen en dat de staatssecretaris terecht het paspoortvereiste stelde. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard. Appellant voerde verder aan dat hij niet hoefde te voldoen aan het paspoortvereiste omdat hij in een verblijfsprocedure niet werd geconfronteerd met dit vereiste en dat zijn familieleden wel waren genaturaliseerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de staatssecretaris bevoegd is bewijs te verlangen en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was de gevraagde documenten te verkrijgen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van appellant verschilde van die van zijn familieleden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het naturalisatieverzoek blijft afgewezen wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.