ECLI:NL:RVS:2013:1403
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris
De vreemdeling werd op 13 augustus 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na een gesprek met de IND op 22 augustus 2013 gaf hij aan af te zien van het indienen van een asielaanvraag, waarna de staatssecretaris de grondslag van de bewaring wijzigde en een terugkeerbesluit uitreikte. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring ongegrond, maar het hoger beroep richtte zich tegen de beoordeling van de voortvarendheid van de staatssecretaris.
De Raad van State oordeelde dat het gesprek met de IND niet als een daadwerkelijke uitzettingshandeling kon worden aangemerkt en dat andere handelingen zoals overplaatsing en het verzoek aan Bureau Dublin slechts administratieve voorbereidingen waren. Er waren geen concrete handelingen gericht op uitzetting verricht, waardoor de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan de vreemdeling werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris bij uitzetting.