ECLI:NL:RVS:2013:1394
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling vrijgelaten uit vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende individuele motivering
De vreemdeling werd op 5 juli 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De staatssecretaris baseerde de bewaring op het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen, waardoor een risico zou bestaan dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken of de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank vond deze gronden voldoende toegelicht en aannemelijk.
De Raad van State oordeelt echter dat de toelichting van de staatssecretaris algemeen van aard is en niet specifiek op de vreemdeling is toegespitst. Hierdoor ontbreekt een noodzakelijke individuele motivering waarom uit de gronden een risico op ontwijking of belemmering kan worden afgeleid. De maatregel van bewaring kan daarom niet worden gedragen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, wordt geen bevel tot opheffing gegeven, maar wordt een schadevergoeding toegekend over de periode van bewaring. Tevens worden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend wegens onvoldoende individuele motivering van de vreemdelingenbewaring.