ECLI:NL:RVS:2013:1387

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2013
Publicatiedatum
2 oktober 2013
Zaaknummer
201308381/2/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen toegangsschending Schengengebied

Bij besluit van 11 juni 2012 is de vreemdeling de toegang tot het Schengengebied geweigerd. De minister verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank heeft op 8 augustus 2013 het besluit van 12 oktober 2012 vernietigd en het besluit van 11 juni 2012 herroepen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de uitspraak van de rechtbank niet in werking zou treden zolang het hoger beroep loopt.

De voorzitter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is voor het verzoek om voorlopige voorziening, mede omdat de vreemdeling reeds op 12 juni 2012 was uitgezet en toekomstige toegang beoordeeld zal worden aan de hand van actuele voorwaarden. Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €472,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

201308381/2/V4.
Datum uitspraak: 24 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 augustus 2013 in zaak nr. 12/34814 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2012 is de vreemdeling de toegang tot het Schengengebied geweigerd.
Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 11 juni 2012 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 oktober 2012.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de bestreden uitspraak in afwachting van de uitspraak op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep niet in werking treedt.
De omstandigheden dat de rechtbank in de uitspraak van 8 augustus 2013 het besluit van 12 oktober 2012 heeft vernietigd en het besluit van 11 juni 2012 heeft herroepen, en de vreemdeling concrete plannen zou hebben om op korte termijn opnieuw naar Nederland te reizen, leveren geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb op. Met de uitzetting van de vreemdeling op 12 juni 2012 heeft de toegangsweigering van 11 juni 2012 reeds haar werking verloren. Indien de vreemdeling in de toekomst naar Nederland reist, zal op dat moment moeten worden getoetst of hij aan de dan geldende voorwaarden voor toegang voldoet.
2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Van Dijken
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013
595.