ECLI:NL:RVS:2013:1373
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod
De vreemdeling had bij de minister een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 20 juni 2012 werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de procedure verleende de staatssecretaris op 11 juni 2013 aan de vreemdeling een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met ingang van de datum van de aanvraag tot 5 juni 2018. De vreemdeling verzocht om een ingangsdatum vóór 5 juni 2013, omdat volgens eerdere jurisprudentie de toekenning van de vergunning de intrekking van het inreisverbod impliceert.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, mede omdat het belang van de vreemdeling door de verlening van de verblijfsvergunning is komen te vervallen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard.