ECLI:NL:RVS:2013:123
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 25 januari 2011 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht tot heroverweging.
De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er twijfel bestond over de afwijzing van het bezwaar en dat het horen van de vreemdeling noodzakelijk was. De staatssecretaris had zich terecht gebaseerd op het verslag van het identificerend gehoor en de daarin opgenomen verklaringen.
De Afdeling stelde vast dat de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de vreemdeling en de referent niet voldoende konden worden weggenomen door de aangevoerde omstandigheden omtrent vertalingen en misverstanden. Gezien de omstandigheden was er geen reden om af te zien van het horen van de vreemdeling, maar ook geen grond om het bezwaar gegrond te verklaren. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.