ECLI:NL:RVS:2013:1223

Raad van State

Datum uitspraak
25 september 2013
Publicatiedatum
25 september 2013
Zaaknummer
201207880/1/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor garage ondanks bezwaren aangrenzende eigenaar

Het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe verleende op 15 juni 2011 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een garage op een perceel te Andelst. De aangrenzende eigenaar, appellant, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege vermeende strijd met planvoorschriften en onvoldoende belangenafweging door het college.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Raad toetste of het college terecht de beleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheden gemeente Overbetuwe 2010 toepaste, ook bij meerdere planvoorschriften die worden overtreden.

De Raad oordeelde dat de beleidsregel correct is toegepast en dat het college de belangen van appellant, zoals aantasting van woonomgeving, lichtinval en waardevermindering, voldoende heeft meegewogen. Tevens werd geoordeeld dat het nut en de noodzaak van het bouwplan niet onterecht buiten beschouwing zijn gelaten.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vergunning voor de garage en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

201207880/1/A1.
Datum uitspraak: 25 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Andelst, gemeente Overbetuwe,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2012 in zaak nr. 11/5194 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie] te Andelst (hierna: het perceel).
Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 15 juni 2011 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.
Bij uitspraak van 3 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.M. Willemse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
1. Het bouwplan voorziet in het bouwen van een garage van 90 m² met een nokhoogte van vijf meter op het perceel. [appellant] is eigenaar en bewoner van een aangrenzend perceel.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past binnen de op 1 oktober 2010 door het college vastgestelde Beleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheden gemeente Overbetuwe 2010 (hierna: de Beleidsregel), nu deze volgens hem niet kan worden toegepast bij afwijking van verschillende planvoorschriften, zoals hier aan de orde.
2.1. Ook indien moet worden aangenomen dat het bouwplan op drie punten in strijd is met de geldende planvoorschriften, zoals gedaan bij besluit van 25 oktober 2011, kan het betoog niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de Beleidsregel niet kan worden afgeleid dat deze slechts kan worden toegepast indien een bouwplan op één punt in strijd is met de planvoorschriften. Derhalve heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past binnen de Beleidsregel.
3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn belangen, te weten aantasting van de woonomgeving, beperking van de lichtinval en waardevermindering van zijn woning, onvoldoende bij de beoordeling van de aanvraag heeft meegewogen en daarin ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de Beleidsregel af te wijken. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat het college het nut en de noodzaak om ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan af te wijken, niet heeft onderzocht, aldus [appellant].
3.1. De aan het besluit van 25 oktober 2011 ten grondslag gelegde belangenafweging geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college de door [appellant] gestelde belangen, dan wel, het nut en de noodzaak van het bouwplan, daarbij onvoldoende heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in de door [appellant] gestelde belangen ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de Beleidsregel af te wijken. Ingevolge artikel 4:84, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), handelt het college overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2013, in zaak nr. 201203303/1/A1), gaat het bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb om omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van een beleidsregel geen rekening is gehouden en die derhalve in die beleidsregel niet zijn verdisconteerd. Niet valt in te zien dat de door [appellant] gestelde omstandigheden niet zijn voorzien bij het opstellen van de Beleidsregel.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huijben
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013
313-713.