ECLI:NL:RVS:2013:1210
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat rechtstreeks beroep openstaat tegen inreisverbod en toetsing motivering inreisverbod
De minister vaardigde op 16 februari 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De voorzieningenrechter oordeelde dat tegen dit inreisverbod geen zelfstandig beroep openstond en stuurde het beroepschrift door als bezwaarschrift. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State stelde vast dat, conform eerdere uitspraken, tegen een inreisverbod rechtstreeks beroep openstaat en vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover deze niet op het beroep tegen het inreisverbod had beslist. Vervolgens werd het besluit inhoudelijk getoetst aan de beroepsgronden van de vreemdeling.
De vreemdeling voerde onder meer aan dat het inreisverbod onverenigbaar was met het Unierecht en onvoldoende was gemotiveerd. De Raad van State verwierp deze gronden, stellende dat het Unierecht niet in de weg staat en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod voor twee jaar was opgelegd, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.
Ook de klacht over strijd met de Awb werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd voor zover deze niet op het beroep had beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep tegen het inreisverbod inhoudelijk ongegrond verklaard.