ECLI:NL:RVS:2013:1200
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling gegrond in hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was op 26 juli 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de voortvarendheid van de staatssecretaris bij de voorbereiding van de uitzetting. Hoewel de staatssecretaris op de vierde dag na de inbewaringstelling een vertrekgesprek voerde, werden daarna geen verdere concrete stappen gezet. De vreemdeling beschikte over een geldige Litouwse identiteitskaart en een vlucht naar Vilnius was eenvoudig te regelen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld. De bewaring was vanaf 31 juli 2013 onrechtmatig. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog toegewezen. Tevens werd een vergoeding toegekend over de periode van onrechtmatige bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris.