ECLI:NL:RVS:2013:12
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende individuele belangenafweging in vreemdelingenrecht
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 26 april 2011 een asielaanvraag van de vreemdeling af. Vervolgens vaardigde de minister op 5 april 2012 een besluit uit waarin de vreemdeling werd opgedragen de EU onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in tegen beide besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit ongegrond en zond het beroep tegen het inreisverbod door aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk was omdat het niet op rechtsgevolg gericht was. Het beroep tegen het inreisverbod werd gegrond verklaard omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de individuele omstandigheden van de vreemdeling, wat in strijd was met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling vernietigde het inreisverbod, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De vreemdeling had geen aanvullende individuele omstandigheden aangevoerd bij de zitting die aanleiding zouden geven tot afzien van het inreisverbod. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €944,00.
Uitkomst: Het inreisverbod van 5 april 2012 wordt vernietigd wegens onvoldoende individuele belangenafweging, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.