ECLI:NL:RVS:2013:1158
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens gezinsband
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 9 juni 2011 de aanvraag van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen werd bezwaar gemaakt dat op 13 maart 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond op 26 september 2012. De referente stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de feitelijke gezinsband tussen de referente en de vreemdelingen was verbroken, omdat zij na vertrek uit Somalië waren opgevangen door andere gezinnen. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin dit standpunt werd verworpen en verklaarde het hoger beroep gegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de referente tegen het besluit van 13 maart 2012 alsnog gegrond verklaard. Het besluit werd vernietigd wegens strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf vernietigd en het beroep alsnog toegewezen.