ECLI:NL:RVS:2013:1139
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- R.W.L. Loeb
- B. Nell
- Rechtspraak.nl
Weigering verklaring omtrent gedrag na voorwaardelijk sepot zedendelict
Appellant verzocht om een verklaring omtrent gedrag (vog) voor een stage bij Stichting Dichterbij. De staatssecretaris weigerde dit op grond van een voorwaardelijk sepot wegens ontucht met een wilsonbekwame, gepleegd binnen tien jaar voorafgaand aan de aanvraag. De weigering werd gebaseerd op het objectieve criterium dat het risico voor de samenleving bij herhaling van het delict een belemmering vormt voor de functie, waarin afhankelijkheidsrelaties kunnen voorkomen.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte de weigering handhaafde, omdat het sepot en de omstandigheden rondom het delict een geringe kans op herhaling boden en het belang van appellant bij de vog zwaarder zou moeten wegen. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat het belang van de bescherming van kwetsbare groepen en de aard van het zedendelict zwaarder wegen, mede gelet op het relatief korte tijdsverloop sinds het sepot.
De Raad van State bevestigde dat de staatssecretaris terecht het screeningsprofiel 'Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' toepaste en dat de weigering niet evident disproportioneel is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Hiermee blijft de weigering van de vog in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring omtrent gedrag vanwege het voorwaardelijk geseponeerde zedendelict en het risico voor de samenleving.