ECLI:NL:RVS:2013:1121
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen nieuw gebleken feiten bij afwijzing uitzettingsuitstel vreemdeling
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees op 18 juli 2012 het verzoek van de vreemdeling af om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarmee uitzetting zou worden uitgesteld. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve had onderzocht of de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen. Uit de medische stukken en adviezen bleek geen relevante verslechtering van de gezondheidstoestand sinds de vorige aanvraag. Ook was er geen relevante wetswijziging of andere omstandigheden die een nieuwe beoordeling rechtvaardigden.
Daarom was er geen grond voor toetsing van het besluit van 8 november 2012. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het afwijzingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.