ECLI:NL:RVS:2013:1109

Raad van State

Datum uitspraak
11 september 2013
Publicatiedatum
11 september 2013
Zaaknummer
201301024/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.7 WaboArt. 3.9 WaboArt. 3.10 WaboArt. 2.7 BorArt. 4 Bijlage II Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor grootschalige detailhandel in afwijking bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Culemborg weigerde bij besluit van 26 januari 2012 een omgevingsvergunning aan appellant te verlenen voor het gebruik van een perceel te Culemborg voor grootschalige detailhandel in afwijking van het bestemmingsplan. Appellant stelde dat de vergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet tijdig had beslist op zijn aanvraag van 3 november 2010, en dat het college daarom dwangsommen had verbeurd.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd aangevochten in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting van 6 augustus 2013 werd het geschil behandeld.

De Afdeling overwoog dat de aanvraag niet uitsluitend betrekking had op bestaande bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 1.500 m2, zoals vereist voor een vergunning van rechtswege op grond van artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. De aanvraag betrof ook gronden rondom de bouwwerken, waardoor de vergunning van rechtswege niet van toepassing was. Het college was derhalve bevoegd de vergunning te weigeren.

Omdat geen vergunning van rechtswege was verleend, had het college geen dwangsommen verbeurd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.

Uitspraak

201301024/1/A1.
Datum uitspraak: 11 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Culemborg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2012 in zaak nr. 12/1013 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Culemborg.
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van het perceel [locatie] te Culemborg (hierna: het perceel) voor grootschalige detailhandel in afwijking van het bestemmingsplan.
Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. Steenbeek, en het college, vertegenwoordigd door J.C. van Veenendaal en F.D.N. Boon, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Rivierenland, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend voor het gebruik van het perceel voor grootschalige detailhandel in afwijking van het bestemmingsplan Parijsch, waardoor het college niet meer bevoegd was alsnog een omgevingsvergunning daarvoor te weigeren. Hij voert daartoe aan dat uit de aanvraag om omgevingsvergunning van 3 november 2010 volgt dat dit afwijkend gebruik van het bestemmingsplan alleen is aangevraagd voor de bestaande bouwwerken op het perceel met een oppervlakte van minder dan 1.500 m2 als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Het college heeft daarop niet tijdig beslist. Voorts betoogt [appellant] dat het college dwangsommen heeft verbeurd, omdat het niet tijdig de vergunning van rechtswege bekend heeft gemaakt.
1.1. Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is paragraaf 3.2 van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.
Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
Ingevolge het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.
Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, of artikel 2.12, tweede lid.
Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist.
Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van Pro bijlage II.
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. binnen de bebouwde kom, en
b. de oppervlakte niet meer dan 1500 m2.
1.2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning van 3 november 2010 is een kaart gevoegd waarop een gebied is gearceerd, waarbij staat vermeld: "Gebied waarop de aanvraag betrekking heeft". Het gearceerde gebied betreft ook gronden rondom de bouwwerken. Uit de aanvraag om omgevingsvergunning zelf en de begeleidende brief volgt niet dat de aanvraag slechts betrekking heeft op de bouwwerken op het perceel. De aanvraag betreft derhalve geen geval als genoemd in artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, reeds omdat slechts omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3o, van de Wabo. Het college was nog bevoegd om omgevingsvergunning te weigeren.
Het betoog faalt.
2. Voorts wordt overwogen dat nu geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, het college geen dwangsommen heeft verbeurd als bedoeld in artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013
270-761.