ECLI:NL:RVS:2013:1082
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen wegens ontbreken tewerkstellingsvergunning
De minister legde appellante een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door twee Bulgaarse vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. Appellante voerde aan dat de vreemdelingen als zelfstandigen werkten en dat sprake was van een proefperiode, waardoor het boeterapport onvoldoende grondslag bood voor het oordeel dat sprake was van een gezagsverhouding.
De Raad van State oordeelde dat de feitelijke omstandigheden, waaronder het geven van werkopdrachten, toezicht op kwaliteit en het ontbreken van zelfstandige bedrijfsvoering door de vreemdelingen, wezen op een gezagsverhouding. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het bezit van VAR-verklaringen waren onvoldoende om zelfstandigheid aan te tonen.
Verder stelde de Afdeling vast dat de boete in verhouding stond tot de ernst van de overtreding en dat appellante onvoldoende financiële gegevens had overlegd om matiging te rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens het laten werken van twee Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.