ECLI:NL:RVS:2013:1065
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens gezinsband
De staatssecretaris wees op 27 september 2010 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, dat op 1 november 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit op 24 mei 2012 ongegrond. De vreemdelingen en de referente stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen de referente en de vreemdelingen was verbroken doordat de vreemdelingen na vertrek uit Somalië bij hun grootmoeder waren opgenomen. Dit was in strijd met eerdere jurisprudentie. Tevens was het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat het bezwaar niet op voorhand geen kans van slagen had.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 1 november 2011 en verklaarde het beroep alsnog gegrond. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdelingen en de referente.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van afwijzing wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.