ECLI:NL:RVS:2013:1023
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling werd op 5 juli 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris bij het opleggen van de maatregel rekening had gehouden met zijn lichamelijke beperkingen en medicatiegebruik. Hij stelde dat de persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn leeftijd, beroerte, hartfalen en afhankelijkheid van een rollator, niet voldoende waren betrokken in de belangenafweging.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris weliswaar bekend was met deze omstandigheden, maar zich onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden toegepast. De grief van de vreemdeling slaagde, het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, bleef een bevel achterwege. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de inbewaringstelling wordt toegewezen met vergoeding en proceskosten.