ECLI:NL:RVS:2012:BY8222
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel en verantwoordelijkheid lidstaat volgens Dublinverordening
De minister voor Immigratie en Asiel heeft de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling ingetrokken met terugwerkende kracht wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het intrekkingsbesluit. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of, nu de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was ingetrokken, alsnog de procedure kon worden doorlopen om te bepalen welke lidstaat volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De staatssecretaris betoogde dat Italië verantwoordelijk was en dat het asielverzoek van de vreemdeling daarom moest worden afgewezen.
De Raad van State oordeelde dat de term 'behandeling van een asielverzoek' in de Dublinverordening ruim moet worden uitgelegd en dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling dient plaats te vinden. Omdat de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek reeds had plaatsgevonden, kon niet meer achteraf een andere lidstaat verantwoordelijk worden gesteld.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en de intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.