ECLI:NL:RVS:2012:BY7383

Raad van State

Datum uitspraak
27 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201205397/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • J. Hoekstra
  • P.A. Koppen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a WoningwetArt. 12 WoningwetArt. 40 WoningwetArt. 44 WoningwetArt. VII, derde lid, Wijzigingswet Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bouwaanvraag varkensstal en toepassing Welstandsnota 2004

In deze zaak gaat het om een bouwaanvraag uit 1997 voor het bouwen van een varkensstal op een perceel te Uithuizen. Het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond had aanvankelijk een bouwvergunning van rechtswege verleend, maar deze later herroepen en geweigerd op basis van strijd met redelijke eisen van welstand, zoals neergelegd in de Welstandsnota 2004.

Appellanten stelden dat het college ten onrechte het beleid uit de Welstandsnota 2004 heeft toegepast, omdat op de aanvraag het recht van toepassing zou zijn zoals dat gold in 1997. De rechtbank had de beroepen van appellanten ongegrond verklaard, en dit oordeel wordt door de Raad van State bevestigd.

De Raad overweegt dat op grond van artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet Woningwet het recht van toepassing is zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, maar dat dit niet uitsluit dat het beleid uit de Welstandsnota 2004, die een nadere uitwerking bevat van de redelijke eisen van welstand, bij de beoordeling betrokken mag worden. Het overgangsrecht ziet alleen op veranderingen in het toepasselijke recht en maakt het beleid uit de Welstandsnota niet zinledig.

Verder is overwogen dat het bouwplan destijds al negatief werd beoordeeld in welstandsadviezen uit 1997, omdat de varkensstal te dicht bij de weg zou zijn gesitueerd. Het betoog dat het college te lang over de aanvraag heeft gedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201205397/1/A1.
Datum uitspraak: 27 december 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Poortvliet,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 april 2012 in zaak nrs. 11/0339 en 11/0340 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond.
Procesverloop
Bij brief, verzonden op 15 januari 2009, heeft het college aan [appellant A] medegedeeld dat op 6 januari 2009 aan haar van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een varkensstal op het perceel [locatie] te Uithuizen, gemeente Eemsmond.
Bij besluit van 28 september 2009 (hierna: besluit I) heeft het college het door onder meer [persoon] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen en de aanvraag alsnog buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 28 september 2009 (hierna: besluit II) heeft het college, voor zover hier van belang, afwijzend beslist op het verzoek van [appellant B] om de bij besluit van 6 januari 2009 van rechtswege aan [appellant A] verleende bouwvergunning voor het bouwen van een varkensstal op het perceel op zijn naam over te schrijven.
Bij besluit van 21 april 2010 (hierna: besluit III) heeft het college het door [appellant B] tegen besluit II gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Bij uitspraak van 6 december 2010 in zaak nr. 09/1074 heeft de rechtbank het door [appellant A] tegen besluit I ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Bij uitspraak van 6 december 2010 in zaak nr. 10/531 heeft de rechtbank het door [appellant B] tegen besluit III ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Bij besluit van 4 maart 2011 (hierna: bestreden besluit I) heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2010 in zaak nr. 09/1074, opnieuw beslist op het door onder meer [persoon] tegen het besluit van 6 januari 2009 gemaakte bezwaar, dit bezwaar gegrond verklaard, de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen en alsnog geweigerd aan [appellant A] bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een varkensstal op het perceel.
Bij besluit van 4 maart 2011 (hierna: bestreden besluit II) heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2010 in zaak nr. 10/531, opnieuw beslist op het door [appellant B] tegen besluit II gemaakte bezwaar, dat bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard en afwijzend beslist op het verzoek van [appellant B].
Bij uitspraak van 20 april 2012 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] tegen het bestreden besluit I en het bestreden besluit II ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellant B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd mr. M.P. Dijkema en B.J. van der Bijl, bijgestaan door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, zijn verschenen.
Overwegingen
Bestreden besluit I
1.    Het college heeft aan bestreden besluit I ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college verwezen naar het negatieve advies van de welstandscommissie van 27 mei 2009 en het ter plaatse geldende welstandsbeleid, zoals dat is neergelegd in de Welstandsnota van de gemeente Eemsmond 2004 (hierna: de Welstandsnota 2004).
2.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen. Hiertoe voert zij aan dat het college bij het nemen van bestreden besluit I ten onrechte heeft getoetst aan het in de Welstandsnota 2004 neergelegde beleid. Volgens haar vloeit uit het in artikel VII, derde lid, van de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (hierna: de Wijzigingswet) voort dat de bouwaanvraag moet worden behandeld op basis van het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag op 22 april 1997. Bovendien is het aan het college te wijten dat haar bouwaanvraag gedurende lange tijd in behandeling is geweest, aldus [appellant A].
2.1.    Ingevolge artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet, die op 1 januari 2003 in werking is getreden is op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop de aanvraag is ingediend.
Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag, mag het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag, moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid.
2.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij het nemen van het bestreden besluit I ten onrechte het in de Welstandsnota 2004 neergelegde beleid in aanmerking heeft genomen. Ingevolge artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaats. Als uitgangspunt geldt daarbij dat het besluit wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen daarvan en de op dat moment geldende rechts- en beleidsregels. [appellant A] heeft weliswaar terecht aangevoerd dat op de aanvraag gelet op het bepaalde in artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet het recht zoals dat gold ten tijde van het indienen van die aanvraag van toepassing is, doch dit leidt niet tot het door haar daarmee beoogde doel. De wettelijke bepalingen zoals deze luidden ten tijde van de aanvraag vereisten eveneens dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hoewel de Welstandsnota 2004 een welstandsnota is als bedoeld in artikel 12a van de Woningwet, dat eerst op 1 januari 2003 in werking is getreden, bevat deze nota beleid ter beoordeling van de vraag of een bouwplan niet in strijd is met redelijk eisen van welstand. Dit beleid dient in beginsel bij die beoordeling te worden betrokken. Artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet staat hier niet aan in de weg. Deze bepaling ziet slechts op veranderingen in het toepasselijke recht die het gevolg zijn van de wetswijziging. Deze uitleg brengt, anders dan [appellant A] ter zitting heeft betoogd, niet met zich dat het in dit artikel neergelegde overgangsrecht zinledig wordt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Wijzigingswet niet slechts in een verplichting tot het vaststellen van een welstandsnota voorziet, maar dat in die wet ook andere onderwerpen een regeling hebben gevonden. Verder doet zich in dit geval niet de situatie voor waarin op grond van de ten tijde van de aanvraag geldende toetsingscriteria zonder meer aanspraak bestond op een bouwvergunning. Daartoe wordt overwogen dat in de welstandsadviezen van 27 juni 1997 en 19 september 1997 is vermeld dat het bouwplan niet in het bestaande bebouwingspatroon aan de Lauwersdwarsweg past, omdat de varkensstal te dicht bij de weg is gesitueerd. De enkele stelling van [appellant A] dat het aan het college te wijten is dat haar aanvraag lange tijd in behandeling is geweest, maakt, wat daarvan zij, het voorgaande niet anders.
Het betoog faalt.
Bestreden besluit II
3.    Gelet op hetgeen in overweging 2.2. is overwogen, heeft het college, anders dan [appellant B] betoogt, terecht geweigerd aan [appellant A] vergunning te verlenen voor het bouwen van een varkensstal op het perceel. Reeds daarom faalt zijn betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij bestreden besluit II ten onrechte afwijzend heeft beslist op zijn verzoek om de aan [appellant A] verleende bouwvergunning op zijn naam over te schrijven.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.
w.g. Slump    w.g. Oudenaller
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012
270-593.