Uitspraak
201011890/1/H2) vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid, van de Awir voort dat aan verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot heeft immers een voorlopig karakter: het kan ingevolge artikel 24, tweede en derde lid, van de Awir worden verrekend met de tegemoetkoming, wat tot een terugvordering kan leiden. De Belastingdienst heeft erkend dat hij vanwege de beperkingen van het geautomatiseerde systeem en de controle achteraf niet direct adequaat op het wijzigingsverzoek heeft gereageerd. Dit staat er echter niet aan in de weg dat [appellante] door het voorlopige karakter van de voorschotten aan de verlening niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat voor 2007 de tegemoetkoming op hetzelfde bedrag zou worden vastgesteld en dat voor 2011 het voorschot niet zou worden herzien. Ingevolge artikel 26 van Pro de Awir was de Belastingdienst/Toeslagen gehouden de teveel uitbetaalde voorschotbedragen terug te vorderen.