ECLI:NL:RVS:2012:BY6364
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming in ophoudruimte Schiphol wegens gebrek aan wettelijke basis
Op 20 februari 2012 werd een vreemdeling, onder begeleiding van Canadese autoriteiten uitgezet, voor een tussenlanding op Schiphol geplaatst in een ophoudruimte voor transitdeportees. Tijdens zijn verblijf gaf hij aan asiel te willen aanvragen, waarna hem de toegang tot Nederland werd geweigerd en een artikel 6-maatregel werd opgelegd.
De vreemdeling stelde dat ook de vrijheidsontneming in de ophoudruimte onrechtmatig was, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestond. De Raad van State stelde vast dat artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 onvoldoende nauwkeurig is om vrijheidsontneming te rechtvaardigen, in tegenstelling tot artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor was de plaatsing in de ophoudruimte onrechtmatig.
De Afdeling vernietigde het oordeel van de rechtbank dat alleen de artikel 6-maatregel aan de orde was en oordeelde dat het beroep mede tegen de ophoudruimte-plaatsing gegrond was. De artikel 6-maatregel zelf werd echter als rechtmatig bevestigd, omdat deze los stond van de onrechtmatige vrijheidsontneming.
De Raad van State kende de vreemdeling een schadevergoeding toe wegens de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze betrekking had op de ophoudruimte.
Uitkomst: De vrijheidsontneming in de ophoudruimte was onrechtmatig wegens gebrek aan wettelijke basis; de artikel 6-maatregel werd bevestigd; schadevergoeding en proceskosten werden toegekend.