ECLI:NL:RVS:2012:BY6363
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat overdracht aan Polen niet strijdig is met artikel 3 EVRM ondanks medische situatie zoon
De vreemdelingen hadden een verblijfsvergunning asiel aangevraagd die door de minister werd afgewezen. De voorzieningenrechter had dit besluit vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of overdracht van de vreemdelingen aan Polen in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro vanwege de ernstige medische situatie van hun oudste zoon.
De staatssecretaris erkende de medische problemen van de zoon, waaronder zuurstofgebrek, epileptische insulten en verhoogde gevoeligheid voor infecties, en dat medische zorg in Polen enige tijd kan duren. Echter, de vreemdelingen hadden onvoldoende bewijs geleverd dat vertraging in medische zorg in Polen zou leiden tot ontoereikende behandeling of dat de ernst van de situatie reden was voor vertrek uit Polen.
De vreemdelingen verwezen naar diverse rapporten en uitspraken die zouden aantonen dat Polen niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet, maar de Afdeling oordeelde dat deze stukken onvoldoende relevant waren om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Ook werd geoordeeld dat de vreemdelingen geen aannemelijk bewijs hadden geleverd dat zij in Polen geen adequate bescherming konden krijgen tegen de autoriteiten die vreemdeling 1 zoeken.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de overdracht aan Polen is niet in strijd met artikel 3 EVRM.