ECLI:NL:RVS:2012:BY5576
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en risico op onttrekking aan toezicht bij weigering vertrek
De vreemdeling werd op 16 juli 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet vrijwillig naleven van de vertrekplicht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe, omdat zij oordeelde dat het risico op onttrekking aan toezicht onvoldoende was aangetoond, mede gelet op de gezinssituatie van de vreemdeling.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de gronden voor bewaring, waaronder het niet opvolgen van een vertrektermijn en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan, in beginsel voldoende zijn om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte slechts één criterium had betrokken en dat het feit dat de vreemdeling niet meewerkt aan vertrek of uitzetting voldoende aanleiding geeft voor bewaring.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. De beslissing benadrukt dat bij de beoordeling van inbewaringstelling beide criteria uit artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 moeten worden betrokken en dat weigering tot medewerking aan vertrek een zwaarwegende grond is.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.