ECLI:NL:RVS:2012:BY5543

Raad van State

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201007329/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • R. van der Spoel
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Verordening (EG) nr. 343/2003Art. 11 lid 3 Uitvoeringsverordening (EG) nr. 1560/2003Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:46 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hereniging gezinsleden op humanitaire gronden ook zonder asielzoekerstatus

De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 15, lid 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003, die handelt over de hereniging van gezinsleden en afhankelijke familieleden op humanitaire gronden. De staatssecretaris hanteerde beleid dat hereniging alleen mogelijk was indien het reeds in Nederland verblijvende gezinslid asielzoeker was.

De Raad van State oordeelde dat deze uitleg te beperkt was. De Verordening stelt niet als voorwaarde dat gezinsleden zelf asielzoekers moeten zijn. Ook artikel 11, lid 3, van de Uitvoeringsverordening bevestigt dat hereniging mogelijk is met vreemdelingen die een andere procedure dan een asielprocedure doorlopen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

201007329/1/V4.
Datum uitspraak: 30 november 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 30 juni 2010 in zaak nrs. 10/7196 en 10/7197 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie (lees: de minister van Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 juni 2010 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Hetgeen de vreemdeling als tweede grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3. De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de voorzieningenrechter het in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden op de voet van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) alleen van toepassing is op asielzoekers, ten onrechte niet kennelijk onredelijk heeft geacht.
De vreemdeling voert daartoe aan dat de voorzieningenrechter, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris met voormeld beleid een te beperkte uitleg geeft aan artikel 15 van Pro de Verordening, omdat dit artikel niet alleen ziet op asielzoekers.
3.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Verordening kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in de verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de betrokkene. De beide betrokkenen moeten hun instemming geven.
Ingevolge artikel 15, tweede lid, zorgen de lidstaten er normaliter voor dat, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.
Ingevolge artikel 15, vierde lid, wordt, indien de aangezochte lidstaat zo'n verzoek inwilligt, de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan deze staat overgedragen.
3.2. Ingevolge artikel 11, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003, houdende Uitvoeringsbepalingen van Verordening nr. 343/2003 (hierna: de Uitvoeringsverordening), voor zover thans van belang, wordt, teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen op de voet van artikel 15, tweede lid, van de Verordening nodig en wenselijk is rekening gehouden met, onder andere, de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht.
3.3. Het door de staatssecretaris ter zake gevoerde beleid is neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
"Overigens wordt opgemerkt dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden in de zin van de Verordening 343/2003 alleen van toepassing is op asielzoekers. Alle gezinsleden en/of familieleden moeten dus een asielverzoek hebben ingediend. Er wordt in elk geval geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 3, tweede lid juncto artikel 15 Verordening Pro 343/2003 bij:
– gezinsleden en/of familieleden die een asielverzoek indienen nadat zij een afwijzing hebben gekregen op een reguliere aanvraag of een aanvraag om een mvv;
– situaties waarin een gezinslid en/of afhankelijke familieleden een asielverzoek indien(t)(en) en hereniging of voortzetting van de gezinsband beo(o)g(t)(en) met een gezinslid en/of afhankelijke familieleden die een aanvraag op reguliere gronden heeft ingediend, dan wel op reguliere gronden toelating geniet.
Immers, Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open."
3.4. Gelet op de bewoordingen van artikel 15, eerste en tweede lid, van de Verordening kan de staatssecretaris de wijze waarop hij deze bepalingen in de praktijk toepast uitwerken in beleid. Niet valt echter in te zien dat hereniging op humanitaire gronden louter aan de orde kan zijn indien het reeds hier te lande verblijvende gezins- of familielid asielzoeker is. De genoemde bepalingen stellen deze voorwaarde immers niet. Dat voor hereniging, zoals in het beleid wordt vermeld, ook andere regelingen openstaan, doet er niet aan af dat de Verordening, zoals ook blijkt uit de punt 6 van de preambule, uitgaat van de handhaving van de eenheid van het gezin en voor dat doel voorziet in verschillende regelingen die waarborgen dat gezins- en afhankelijke familieleden onder bepaalde voorwaarden kunnen worden herenigd. Ook artikel 11, derde lid, van de Uitvoeringsverordening biedt, gelet op de woorden "asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht" een duidelijke indicatie dat hereniging met vreemdelingen die een andere dan een asielprocedure doorlopen of hebben doorlopen, mogelijk is.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat artikel 15, eerste en tweede lid, van de Verordening niet vereisen dat gezinsleden en andere afhankelijke familieleden zelf ook asielzoekers moeten zijn. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
Nu de staatssecretaris in het besluit het beroep op artikel 15, eerste en tweede lid, van de Verordening uitsluitend heeft verworpen wegens de omstandigheid dat degene met wie hereniging wordt beoogd geen asielzoeker is, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 februari 2010, gelet op het hiervoor overwogene, alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 30 juni 2010 in zaak nr. 10/7196;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 23 februari 2010, kenmerk 0903-11-1126;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en
mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter w.g. Van der Winden
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2012
348.
Verzonden: 30 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser