ECLI:NL:RVS:2012:BY4690
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van Dijken
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Raad van State inzake hoger beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van artikel 6 van Pro die wet, tenzij het betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 95, eerste lid, waarvoor hoger beroep wel mogelijk is. De uitspraak van de rechtbank betrof echter een uitspraak als bedoeld in artikel 96, tweede lid, waarvoor geen hoger beroep openstaat.
De Afdeling stelde dat alleen bij ernstige schending van fundamentele procesbeginselen een uitzondering kan worden gemaakt, maar de aangevoerde gronden boden daartoe geen aanleiding. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees zij het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.