ECLI:NL:RVS:2012:BY4690

Raad van State

Datum uitspraak
23 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201210425/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van Dijken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 95 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 47 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Raad van State inzake hoger beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van artikel 6 van Pro die wet, tenzij het betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 95, eerste lid, waarvoor hoger beroep wel mogelijk is. De uitspraak van de rechtbank betrof echter een uitspraak als bedoeld in artikel 96, tweede lid, waarvoor geen hoger beroep openstaat.

De Afdeling stelde dat alleen bij ernstige schending van fundamentele procesbeginselen een uitzondering kan worden gemaakt, maar de aangevoerde gronden boden daartoe geen aanleiding. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees zij het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

Uitspraak

201210425/1/V4.
Datum uitspraak: 23 november 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2012 in zaak nr. 12/31657 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2012 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 oktober 2012 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000.
Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.
2. Het door de vreemdeling ingestelde beroep is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. De uitspraak van de rechtbank van 30 oktober 2012 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open bij de Afdeling.
3. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Hetgeen de vreemdeling te dien aanzien heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is.
4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijken
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012
595.
Verzonden: 23 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser