Uitspraak
201000631/1/V6) is het aan de minister om te bepalen aan wie een boete wordt opgelegd. Dat aan [onderneming] geen boete is opgelegd, betekent niet zonder meer dat het opleggen van een boete aan [appellant] leidt tot rechtsongelijkheid. Nu, zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, [appellant] vergunningplichtig werkgever is van de vreemdelingen en voor de door hen verrichte arbeid geen tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven, heeft de minister [appellant] terecht beboet. De minister heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij ook aan [onderneming] een boete heeft opgelegd. De minister heeft voorts gesteld dat hij deze boete heeft gematigd omdat, zoals is vermeld op p. 2 van het boeterapport, [vertegenwoordiger] namens [onderneming] op eigen initiatief de Arbeidsinspectie heeft ingelicht over de tewerkstelling van de vreemdelingen en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de matiging van de aan [onderneming] opgelegde boete heeft geleid tot rechtsongelijkheid. Het betoog faalt.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200804654/1/V6) bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld, dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. Reeds omdat [appellant] niet met controleerbare gegevens heeft gestaafd dat hij door de opgelegde boete onevenredig is getroffen, bestaat ook in zoverre geen aanleiding de boete te matigen. Het betoog faalt.