Uitspraak
201202126/1/A1, behandeld op 25 september 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. Scheuter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, gehoord.
200909705/1/H1weede lid, van de WRO kan worden verleend.
201003391/1/H1), is de enkele bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen krachtens, in dit geval, artikel 19 van Pro de WRO, onvoldoende om concreet zicht op legalisering aan te nemen. Nu het college niet bereid is een dergelijke vrijstelling te verlenen, en geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het ter zake door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd, is van concreet zicht op legalisering geen sprake. De rechtbank is terecht tot de dezelfde conclusie gekomen. Dat het college [appellante] inmiddels voor de stallingsruimte omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteit bouwen en afwijken van het bestemmingsplan wat betreft de overschrijding van het bebouwingsvlak, leidt, anders dan [appellante] betoogt, niet tot een andere conclusie, nu ten tijde van het besluit van 13 januari 2011 met de procedure daarvoor geen aanvang was gemaakt.
200909705/1/H1), geschiedt het bouwen zonder onherroepelijke bouwvergunning voor eigen risico. Vast staat dat de inspanningen van het college in het verleden waarop [appellante] doelt, niet tot onherroepelijke bouwvergunningen voor de bouwwerken hebben geleid. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat bij [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het college niet handhavend tegen de bouwwerken zou optreden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat voor het overige niet is gebleken dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan had behoren af te zien. Het college mocht het algemeen belang dat met handhaving is gediend, daaronder begrepen het door [wederpartij] ter zitting toegelichte belang dat [appellante] dient te handelen in overeenstemming met het bestemmingsplan dat ten behoeve van de bouwplannen in overleg met omwonenden is vastgesteld, zwaarder laten wegen dan het belang van [appellante] bij het in stand houden van de overtredingen.