ECLI:NL:RVS:2012:BY4039
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsweigering vreemdeling en bescherming rechten Unieburgerkind
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning aan een vreemdeling vernietigde. Het kind van de vreemdeling en een Nederlandse vader is burger van de Unie en beroept zich op rechten uit het VWEU.
De Raad van State overweegt dat het recht van het kind om in de Unie te verblijven alleen wordt ontzegd als het kind gedwongen wordt de Unie te verlaten vanwege de afhankelijkheid van de vreemdeling. De minister stelde dat het kind bij vertrek van de vreemdeling bij de Nederlandse vader zou kunnen verblijven, maar dit is onwaarschijnlijk omdat de vader uit beeld is en het kind hem niet kent.
De Afdeling concludeert dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het kind niet het effectieve genot van zijn rechten wordt ontzegd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.