Uitspraak
200807808/1/V6) volgt uit artikel 19a, tweede lid, van de Wav dat zowel voor overtreding van artikel 2, eerste lid, als voor overtreding van 15 van de Wav een boete kan worden opgelegd, aangezien deze bepalingen betrekking hebben op twee afzonderlijk beboetbare gedragingen. Het betoog van de vennootschap faalt derhalve.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200701639/1) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. In het bij het boeterapport gevoegde gehoor van de vertegenwoordiger van de vennootschap is vermeld dat deze heeft verklaard dat bij het inlenen van de vreemdelingen slechts de afschriften van hun identiteitsdocumenten zijn opgevraagd, welke vervolgens zijn doorgestuurd naar [bedrijf A]. Volgens deze vertegenwoordiger beschikte de vennootschap niet over pasjes om in [onderwijsinstelling] te kunnen controleren, was tijdens de werkzaamheden van de vreemdelingen aldaar nooit iemand van de vennootschap aanwezig en hield de voorman van [bedrijf A] toezicht op door de vennootschap ingehuurde uitzendkrachten. Gelet op deze ten overstaan van de inspecteurs afgelegde verklaringen kan de door de vennootschap eerst ter zitting bij de Afdeling naar voren gebrachte stelling dat zij bij de eerste keer dat de vreemdelingen in [onderwijsinstelling] arbeid verrichtten hun identiteit heeft gecontroleerd, niet worden gevolgd. Deze stelling vindt geen steun in de gedingstukken en heeft de vennootschap ook overigens niet aannemelijk gemaakt. Nu het ervoor moet worden gehouden dat de vennootschap nimmer heeft gecontroleerd of op de feitelijke werkplek van de vreemdelingen aan de voorschriften van de Wav was voldaan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de mate van verwijtbaarheid van de overtredingen geen grond is gelegen voor matiging van de boete. Dat de vennootschap mogelijk slachtoffer is geworden van fraude van de voorman van [bedrijf A] en [bedrijf B], leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de vennootschap door iedere controle achterwege te laten volledig verwijtbaaar heeft gehandeld.